donderdag 31 maart 2022

Grapje?

 Met je stomme grapjes…

1 april – fools day


Lang, lang geleden liep ik stage op een school, waar 1 april écht lachen, gieren, brullen was. In de koffiekamer werd bekokstoofd welk kind nu de dupe zou zijn. Opdracht: Alle klassen langsgaan óf voor het plintentrapje óf voor het doosje met de knoopsgaten. Dikke pret vooraf. Gieren en dijen kletsen als het betreffende kind onnozel en verlegen de klassen inkwam. Schateren na afloop, wat was het weer leuk vandaag. ‘Hij had het niet door he? Hahahaha… ‘ Wat voelde ik me ongemakkelijk tussen die schuddebuikende collega’s.


Gisteren kreeg ik een mail. De manager van één van de organisaties waar ik voor werk roept zijn team op schoonmaakmiddelen mee te nemen en de handen uit de mouwen te steken voor de komende open dag. Want er zijn al te weinig aanmeldingen. Dus draag allemaal je steentje bij.

Ieder mailbericht wat binnenkomt lees ik met (wellicht te) serieuze aandacht. Ik weeg af wat ik er mee moet of mag. Soms lees ik met een ‘dit kun je toch niet serieus menen of vragen’, Nu voelde ik verontwaardiging in me opborrelen. Het is een optelsom. Pedagogisch medewerkers hebben geen tijd om met kinderen te spelen, omdat de schoonmaak al lange tijd ziek is en we schoon en hygiënisch boven spelen met kinderen hebben gezet. Of leerkrachten die voor de eindejaar schoonmaak in basisscholen, emmers en sop van het thuisfront meekomen omdat school onvoldoende poetsmiddelen heeft. En dus trap ik nu er met twee voeten in en rook uit mijn oren. Omdat het een grapje is, maar vaak ook niet.


De socials staan vol met idioterie. Van oprechte, goedgelovige mensen die voor de camera een prank mogen ondergaan en vervolgens viral gaan. Hoe stupider je reageert, hoe meer likes. Het is een dun lijntje. Humor en humorloos. Grappig willen doen of kwetsen.


Jaren terug kregen we nieuwe briefjes van honderd, met een snip erop. De bank had een grap bedacht. Als de snip op het biljet niet knipoogde bij heen en weer bewegen, was er sprake van een vals biljet. Je mocht je briefjes inleveren. Ik had er niks van meegekregen, maar zag ’s ochtends een rij voor de bank, met volwassenen die hun biljet richting de hemel op en neer bewogen. Eerlijk gezegd kon ik daar wel om grinniken.


Maar roasts, cabaretiers die mensen belachelijk maken. Ik houd er niet van. Ik vraag me regelmatig af waarom mensen het leuk vinden om anderen voor de gek te houden. Dingen verzinnen waar een ander wel in moet trappen.


Een grapje van een team leraren tegen één kind wat rond mag langs de klassen. En alle kinderen van de school die mee mogen lachen. Een manager die voortdurend ‘moet je lezen’ informatie stuurt en dan zo’n bericht ertussen stopt. Die machtspositie en ongelijkwaardigheid maakt het voor mij echt stukken minder grappig. Het levensechte karakter van de vraag die je gesteld wordt, waardoor je er natuurlijk in gaat trappen. Hoe groot is de kunst om dat voor elkaar te krijgen.


Je mag me bestempelen als humorloos of té serieus. Geintje, moet kunnen. Eerlijk gezegd vind ik dat ook, ik ben dol op lachen, lol maken, geintjes. Maar mensen voor de gek houden. Niet leuk. Niet.

Een dag later. Het is nog steeds geen 1 april. Mijn tweede reactie is milder. Ik zie een hardwerkende manager die het team wil verrassen met een grapje. Die mensen een lach en ontspanning gunt, achter hun pc. En in dat team zitten ook humorloze zuurpruimen zoals ik. Die je grap gaan analyseren. Of uitleggen. Tja… nou dat.


#Gelukkigistbijnatweeapril #Humorloos #Metjestommegrapjes #Welbevinden #Kindontwikkeling


woensdag 10 juni 2020

Over een wijze middenbouwer, een ambulancebroeder en een babyduif


Gebonk op mijn raam. Een groepje middenbouwers kijkt naar binnen door mijn raam. ‘Wilma, we hebben een baby-duif gevonden’. Ze zijn er maar druk mee. De kleine duif ligt wat beduusd op een palet, omringd door stukjes brood. ‘We hebben brood gegeven, maar hij eet niet’.
Ze praten druk door elkaar. Er schijnt een poes te zijn die gevaarlijk dichtbij komt. Ze kunnen nog niet naar binnen dus, want dan komt die poes. En ze weten waar de moederduif woont. Bovenop het zonnescherm bij mijn raam. Kijk! Ik hoor ze druk met elkaar speculeren. Moeder duif is vast bezorgd. En logisch, met die enge poes van de buren. En ze hebben een vet probleem, die middenbouwers, want ze moeten zo naar huis. Bezorgd gaan ze naar binnen.
Een dag later is er weer volop rumoer vlak bij mijn raam. Nu zijn de kleuters buiten. Op het bankje staat een doos met een zwarte doek erover. Om beurten kijken ze aan de zijkant in de doos. Nu tikt de groepsleider op mijn raam. ‘Wilma, we hebben de dierenambulance gebeld. We moeten zo naar binnen, maar roep je ons even als hij komt’. Ik reageer verbaasd. De dierenambulance? Ja, tuurlijk, in de doos ligt de duif.
De kleuters zijn bezorgd, blij dat de ambulance komt. Gelukkig komt hij snel. De kleuters drommen om de ambulancebroeder heen en ik hoor ze vragen stel. Hij bromt rustig terug, met de baby-duif in zijn hand. Dan gaat de duif in een soort poezenmand, mee de ambulance in. De kleuters zwaaien tot de ambulance uit het zicht verdwenen is.
Ik loop naar de koffie en kom onderweg de middenbouwers tegen, die zich zo druk gemaakt hebben om de duif. ‘He luister eens’, zeg ik, ‘de babyduif is net opgehaald door de ambulance, dus het komt goed’. Verbaasd kijkt degene die gisteren op mijn raam bonkte me aan. ‘Opgehaald??? Met de ambulance? Da’s toch niet goed??’ Ik kijk verbaasd. ‘Hoezo niet?’
Hij fronst en zegt ernstig: ‘En die moederduif dan? Die snapt er niks van en zoekt zich straks suf… Dit is helemaal niet goed!’. Hoofdschuddend loopt hij door, terug naar zijn groep.
Ik verdiep me weer in mijn werk tot ik mijn collega hoor zeggen. ‘He Wilma, moet je kijken. Hij heeft gelijk. Die duif daar. Wormpjes in haar snavel. Alsof ze d’r kleintje zoekt’. En ik denk, wat is die middenbouwer wijs, hij heeft gelijk.
Maar de ambulancebroeder heeft beloofd, als het goed met hem gaat, komen ze hem weer terugbrengen. Dus even wachten nog. Het komt goed!❤️🍀

vrijdag 22 mei 2020

Tess


Het is dinsdagmiddag. Ik voel aan alles, het gaat hem niet meer worden vandaag. Ik ben bekaf. De afgelopen weken, weekenden, alles staat in het teken van corona. Ik werk op een plek die ik nog niet goed ken, heb nog geen routines. Ik ben gewoon even doodmoe en niet blij.

Terwijl ik mijn collega’s zeg dat ik eerder naar huis ga, hoor ik de telefoon overgaan. Een vader vertelt dat hij zich verslapen heeft, maar zijn kinderen heel graag nog voor de middagshift wil brengen. Hij heeft nachtdienst gehad en was niet op tijd wakker geworden. Of het nog mag.

Ik praat nog even met collega’s, pak mijn tas en jas en terwijl ik naar buiten loop, komt een verwilderde Tess binnen. Haar ademhaling zit hoog, ze kijkt me paniekerig aan en probeert haar dikke rugzak in een luizenzak te proppen. Ik weersta de neiging om te helpen, maar dat voelt niet goed. Anderhalve meter.

‘Hee Tess’. Het rukken aan de rits houdt op. Verschrikt kijkt ze me aan. ‘Had je vader het verslapen?’ Tess knikt. ‘Gaat het een beetje, Tess?’, vraag ik. Tess barst in huilen uit. Ze wrijft hard in haar ogen. ‘Papa lag te slapen, die werd maar niet wakker. De film was afgelopen en we moesten naar school’. Er schiet van alles door mijn hoofd, ook hoe ingewikkeld thuissituaties nu zijn. Ik wil haar zo graag vastpakken. Ze probeert haar tranen weg te poetsen.

‘Lieve Tess, wat een verdriet’. Ze huilt nog harder. ‘Ik snap het niet’, zegt ze schokkerig en snikkend, ‘ik was gisteren zo blij om naar school te gaan, waarom huil ik nou?’ Tess huilt nog harder. Ik pak een stoel en sla een arm om haar heen. En denk gelijk, dit mag niet, je mag haar niet aanraken. En ik voel ineens ook hoe enorm verdrietig ik zelf ben. Het liefst zou ik een potje meejanken met Tess. Wat een klotesituatie is het toch. Ik voel dat Tess zich overgeeft aan het huilen, haar adem zit nog steeds heel hoog. ‘Huil maar Tess, natuurlijk is het fijn op school, maar het is ook even niet fijn’. Ze huilt nog harder.

Dan lijkt het wat rustiger. Ze pakt haar fruitspullen, haalt nog een keer diep adem en loopt de groep in. ‘Hee Tess, fijn dat je er bent’, zegt de groepsleider. ‘Ga maar gauw naar de rekengroep hiernaast!’ Ik zie haar schouders omhoog gaan, ze schrikt. ‘Teeeeessss’, roepen de kinderen vanuit de kring, ‘je fruit moet in je rugzak blijven’. Verschrikt sluit Tess de deur, draait zich om, kijkt me aan en gaat nog harder huilen. Het fruit in haar handen geklemd.

‘Zal ik nog even bij je blijven?’, vraag ik haar. Ze knikt ja. Samen zitten we nog zeker een kwartier zo. De tranen blijven stromen, iedere keer komt er een nieuwe golf. Wat zit daar veel verdriet. Dan komt er een kind uit de rekengroep gelopen. ‘Hee Tess!’ Ze kijkt mij aan. ‘Ik ben Sophie, ik ben de vriendin van Tess. Ik moest naar de wc’. Tess knikt blij tussen haar gesnik door. Sophie wrijft over de rug van Tess. Ze slaan hun armen om elkaar heen. ‘Ga je mee naar de klas, Tess?’ vraagt Sophie. Tess knikt. Ze raapt haar fruit op, stopt het in de rugzak, terwijl Sophie rustig wacht. Samen lopen ze de groep in.

‘Hee Tess’, hoor ik de groepsleider zeggen, ‘wat fijn dat je er bent’. Dat vind ik ook. Dank je wel, Tess, dat je me even stil liet staan bij hoe ingewikkeld het kan zijn, als je 7 bent en probeert het zo goed mogelijk te doen. Of 53… Ik pak mijn tas en loop de school uit. Morgen is er weer een dag.

© Wilma van Esch

zondag 3 mei 2020

Verzinsels


Verzinsels

Heel veel dingen in het leven zijn verzinsels. Ze zijn gewoon niet waar. Maar ze zijn je verteld en je hebt het als waarheid aangenomen. Bijvoorbeeld dat je zou leren fluiten als je je broodkorstjes keurig op at. Of dat er een boom in je buik zou groeien als je je appelkroosje volledig op zou eten.

We hebben verzinsels nodig. Het is prettig dat we samen verzonnen hebben dat je moet stoppen voor rood licht. Dat moet niet, je kunt gewoon doorrijden. Maar de afspraak die we hierover samen hebben is wel handig. Daardoor verloopt het verkeer net wat soepeler en zijn er waarschijnlijk minder aanrijdingen. Met een aantal verzinsels heb ik echt vrede.

Regelmatig verbaas ik me over de verzinsels in onderwijsland, het land waar ik mag leven en werken. De verzinsels die we als waarheid hebben aangenomen. Ik onderzoek ze graag. Zijn ze waar? En zijn ze nodig? Weten we zeker dat ze waar zijn? Wie zegt het? Wat kunnen we er nog meer over zeggen? Zeker in deze corona-tijd, waarin zoveel zin en onzin voorbij komt over leren, over kindontwikkeling, over didactiek en pedagogiek.

-         - Is het echt zo dat kinderen nu een achterstand oplopen en in de zomervakantie een groeispurt maken?
-         - Weten we zeker dat kinderen pas leren nadat ze instructie van ons hebben gehad?
-        -  Is het echt zo dat kinderen op school beter leren en daar geen achterstand oplopen?
-        -  Is het echt zo dat we de beginsituatie van kinderen pas weten, als we hen hebben getoetst?
-        -  Weten we zeker dat het goed komt, als we voldoende luisteren, aandacht hebben en aanhaken bij waar kinderen nu staan? En wat is ‘goed’ komen?

Misschien is het mooie van deze tijd dat we het even echt niet weten. Wat verzinsels zijn, en wat écht.

Wat levensécht is, is dat er kinderen zijn, leerkrachten, een gebouw. En dat we in een hele bijzondere tijd leven die alle vanzelfsprekendheden weghaalt. Omdat ‘we’ ervoor gekozen hebben de scholen te sluiten. En wat zeker is, dat de schooldeuren binnenkort weer open gaan.

Wat ook echt is, is de basisbehoefte van kinderen (en volwassenen) om gezien en gehoord te worden. Daarom gun ik onze kinderen in deze tijd competente (gezonde) leerkrachten. Leerkrachten die ‘aan’ staan en met hun volle aandacht bij de kinderen zijn. Die verstand hebben van ontwikkeling van die kinderen én van het curriculum. Die dat op een liefdevolle en respectvolle manier weten te verbinden. 

Overigens: Ik verzin dit niet. Heel veel pedagogen en onderwijskundigen gingen me voor. En ik wil er graag voor gaan. Omdat onderwijs daardoor soepel verloopt en we hopelijk geen brokken maken :-).

'Because it is easier to build strong children than to repair broken men'.

3 mei ‘20
©Wilma

zaterdag 21 maart 2020

Peuters & Kleuters in tijden van Corona


Peuters en kleuters in tijden van Corona



Lieve grote mensen,



Misschien is het best lastig voor je dat ik niet naar kinderopvang of de kleuterschool kan. Misschien ben je zelf al een beetje in de war door alles wat op je af komt, misschien ben je ongerust en heb je veel zorgen. En dan zit ik (of wij) ook nog als jouw handenbinder en druktemaker de hele dag thuis. Wat moet je met mij?



Jij bent echt superbelangrijk voor me. Jij bent mijn thuisbasis. Wat ik van je nodig heb is geborgenheid en veiligheid. Ik wil graag eenvoudige verklaringen van je, om de ingewikkelde wereld te begrijpen. Leg me maar uit dat we nu lekker thuis zijn, omdat de scholen dicht zijn. Dat er beestjes zijn die mensen ziek maken en dat die van mens op mens overspringen. En dat je nog niet weet hoe lang dat gaat duren. Want dat kun je ook niet weten. Maar da’s niet erg, het is fijn om samen thuis te zijn.

Structuur en dagritme zijn belangrijk voor me, ook nu de dagen heel anders zijn. Het is fijn als we vertrouwde ritueeltjes hebben met slapen, eten en spelen. Dan heb ik houvast.

Daarbinnen heb ik veel ruimte nodig om te onderzoeken en ontdekken. Wanneer je me vaak en veel instrueert en me stuurt en stoort in mijn spel, zorg je voor onnodige stress. En dat is nou net weer niet goed voor mijn ontwikkeling.

Ik kijk heel goed naar jou, naar hoe je doet en hoe je bent. Naar hoe je nu met andere grote mensen praat en hoe je met anderen omgaat. Mijn spiegelneuronen werken nu op volle sterkte. Liefst doe ik met je mee, ik speel je na en leer door alles wat ik zie in mijn omgeving.

Het liefst ontdek, onderzoek en experimenteer ik. En ik probeer veel uit. Ik word steeds zelfstandiger en ondernemender. Ik krijg meer beheersing over mijn grove en fijne motoriek. En ik leer me concentreren en na te denken. Het is fijn als jij me helpt om zoveel mogelijk zelf te doen. Ik kan waarschijnlijk al veel meer dan je denkt. En ik vind het leuk om met je mee te doen, met de was, in de tuin, in de keuken, als je de auto gaat wassen. Maar ook om samen mijn kamer op te ruimen of een speelhoekje te maken. Als jij dat ook leuk vindt…

Het is fijn als jij me ziet. Of ik lekker in mijn vel zit, of ik betrokken aan het spelen ben. En dat je bij me aansluit. Dat je met me praat. Dat jij dingen benoemt en aanwijst. Ik ontwikkel me door jou veel vragen te stellen. Misschien word je daar wel helemaal gek van. Maar probeer eens echt te luisteren en mijn gedachtegang en interesses te volgen. Als je goed naar me luistert, hoor je wat ik al kan zien en bevatten.

Het is fijn als jij me leert in te leven, ook in andere kinderen. Als ik me door jou gezien en geaccepteerd voel, kan ik dat steeds beter. En leer ik verschillen te herkennen en aanvaarden.

In mijn peuter en kleutertijd groeit mijn taal en woordenschat enorm. Door jou en de andere mensen in ons huis veel te horen en samen te genieten van de melodie en ritme van de taal leer ik snel veel bij. Lees me voor, laat me rijmpjes hoor, zing veel voor en met me. Maak grapjes.

Vertel me korte, eenvoudige verhaaltjes, niet te lang. Laat me meegaan in je verhaal, laat me avonturen beleven. Laat me plaatjes zien en lekker fantaseren. Dat stimuleert mijn verbeelding.

Dus eigenlijk gedij ik het beste als jij in balans bent. Dan voel ik me veilig. Wat heb jij eigenlijk nodig, groot mens, om mij te kunnen geven wat ik nodig heb. Lukt het je om je over te geven aan de gekke tijd waar we nu in zitten en samen met mij ons huis tot een grote speelplek te maken. Een plek waar we samen spelen, eten, relaxen en op onderzoek uit gaan. Binnen én buiten.

Ik heb niet zo heel veel nodig. Je hoeft echt niet de hele dag met me bezig te zijn. En misschien, heel misschien leer ik nu wel veel meer dan in de periode dat jij werkte en ik naar school ging. Gewoon omdat we samen thuis zijn!

Liefs,

Je Peuter/Kleuter



©WilmavanEsch-2020

maandag 23 september 2019

Even mijn gezicht laten zien

De ruimte zit vol met pedagogische medewerkers. Sommigen nog in hun werkpolo, anderen in eigen kleding. Allemaal vrouwen, een kleurrijk en bont gezelschap. Er is ook één man. Ik ben benieuwd wat zijn rol in dit geheel is, hij lijkt me geen pedagogisch medewerker. Hij stapt op me af en schudt me de hand. Met een lach op zijn gezicht vertelt hij 'Ik ben van HR, ik laat vanavond mijn gezicht zien. Dat is belangrijk voor de mensen'. Vriendelijk knikt hij rond.  

De avond begint. Alle vrouwen zitten, op banken, op stoelen. De man staat, of hangt eigenlijk, achter tegen een deurpost. Een vriendelijke glimlach op zijn gezicht. Er is eten, er zijn presentaties en ik ga een verhaal vertellen over ouderparticipatie en communicatie. Over een rijke, uitdagende omgeving voor kinderen. Maar vooral over de kwaliteiten en het belang van medewerkers in deze processen. Het gaan om hen. Alles begint bij gepassioneerde, verbindende, getalenteerde medewerkers. Het wordt warmer in de ruimte.  Ik houd ervan om de randen op te zoeken, om mensen aan te spreken op wat ze doen, waarom ze dat doen. En wat dat doet met kinderen en hun ouders. Het werkt, opnieuw: Ik voel mensen opveren, het roept reacties op. Herkenning. 

Na mijn verhaal gaan de vrouwen in groepen uiteen, met een opdracht. De man loopt naar mij. 'En?', vraag ik 'vond U het wat?' Hij kijkt vriendelijk glimlachend rond en zegt wat afwezig 'Ja hoor'. Ik kijk hem aan. 'Wat heeft U dan geraakt in mijn verhaal? Sluit het aan bij uw werk?'  Nu kijkt hij me echt aan. 'Ik ben van HR', zegt hij, 'jouw verhaal is voor onze medewerkers. Niet voor mij'. 

Hij wandelt door de ruimte en knikt vriendelijk naar de enthousiast overleggende groepjes. Hij wilde even zijn gezicht laten zien aan de medewerkers. En da’s gelukt 😊. 

©Wilma van Esch

zondag 21 april 2019

Zo goed mogelijk??


Op Twitter maakt een politicus een jonge milieu-activiste uit voor een “vroegrijp Alice Miller-syndroom”. Hij wil de kneuzen die met dit narcistisch puberteitsperikel mee janken vervangen en verslaan. Een professor Educational Psychology stelt via datzelfde kanaal ‘Met kinderen experimenteer je niet’ en oordeelt scherp over ‘mislukt onderwijs’.  ‘Ophouden met die 21 eeuwse onzin’. Ik zet mijn telefoon uit en loop naar binnen. 

In een klein bruin café vieren we de reünie van oud-collega’s van de pabo waar ik zelf ooit heb mogen studeren én waar ik jaren later een paar jaar leiding heb mogen geven. Vijftig oud-collega’s. Een gemêleerd palet aan levensverhalen verbonden door een meer dan honderd jaar oude onderwijswerkplek. Met verschillende ambities, stijlen, intenties en kwaliteiten. Wat wilden we teweeg brengen in het onderwijs en voor welke vormen kozen we, individueel, collectief? 
Hebben we bijgedragen aan mislukt onderwijs?  Geëxperimenteerd met kinderen? Hebben we meegejankt met narcistische puberteitsperikelen? 
De politicus en professor galmen nog door in mijn hoofd… Ik schud ze van me af.

“Dag mevrouw, ik ken u niet!”  Mijn oud-docente Nederlands schudt me de hand. “Ik U wel, U was mijn docente lang geleden.”  Verbaasde blik. Ze herkent me echt niet. Logisch. “Begin jaren ‘80”, ga ik verder. Een grote lach op haar gezicht, hoofdschuddend “Dat weet ik écht niet meer…” Terwijl ze verder loopt bedenk ik hoe zij me instrueerde hoe we voor moesten lezen aan kinderen. We maakten uitgebreide lesvoorbereidingen met een verhaalcurve, waar de hoogtepunten en het opbouwen van de spanning zichtbaar werd. De huidige docente Nederlands is er ook. Zou zij nog met vertelcurves werken bij de huidige studenten? Of vinden we inmiddels hele andere dingen belangrijk? Wat vinden we eigenlijk écht belangrijk, in het onderwijs? En hebben de vormen die we daarvoor bedenken het gewenste effect? Hoe zeker kunnen we dat weten?
Van sommige van deze collega’s weet ik dat ze door het vuur gingen voor studenten. Ze stopten hier ongelooflijk veel tijd in. Anderen maakten zich vooral heel erg druk om hun vakgebied of domein en werkten daar met ziel en zaligheid voor. En een deel van de mensen leek zich niet bijzonder druk te maken, althans niet om de studenten. Bij hen leek ontspanning, ontmoeting en goed voor jezelf zorgen een belangrijk concern. 
Onder de arm van één van de collega’s zit het boek van Alice Miller ‘Het drama van het begaafde kind’ geklemd. Lang geleden geleend. Vandaag mee teruggenomen in de hoop dat het boek weer met zijn rechtmatige eigenaar naar huis zal gaan. Grappig, twee keer op een dag komt Miller voorbij. De oud-conciërge gaat rond met de schaal met bitterballen. Sommige dingen veranderen nauwelijks.
De twitterende politicus en professor. De conciërge en de bitterballen. Vijftig oud-collega’s met verschillende ambities, intenties en kwaliteiten. Wat brengen of brachten we teweeg? Waar is het ons werkelijk om te doen? En lukt dat? Doen we het goede? En wie bepaalt eigenlijk voor wie wat goed is? 
Een dag later kijk ik weer even op Twitter. Merel Morre komt voorbij. “Zoek paaseieren, geen ruzie”. Fijn, Merel, dat ga ik voor nu even doen! En daarna weer lekker door met mensen die werken met kinderen. Die geen ruzie zoeken maar samen op zoek gaan naar zo goed mogelijk, voor deze kinderen,  in deze tijd, waarin we heel veel (nog) niet weten. 
©Wilma van Esch ~ april 2019

dinsdag 29 mei 2018

Lachen om je eigen grappen


Ding dong.
Zes buurkinderen aan de voordeur. Slippertjes, zwembroekjes, bikini's. De grootste staat voorop, een doosje in haar hand. Ik schat haar 6, de nieuwsgierigste en kleinste staat er pal naast. Ik schat haar 2 of 3.  Als ze me de gang in horen lopen, hoor ik al de ingehouden pret aan de andere kant van de deur. 'Ze komt eraan!!!!'
'We hebben iets heeeeel bijzonders in dit doosje!' roepen ze bijna in koor. De achterhoede gniffelt. Heel voorzichtig maakt het grootste meisje een doosje open. De rest buigt met mij over het doosje heen. 'HAHAAAAAA… we hebben jou gefopt!' roept ze schaterend en de rest lacht hard mee. Ik zie knikkers, kleine glanzende en een paar mooie bonken. 'Hee, wat mooi!', roep ik. Maar ze gaan door, dikke pret. Lachen. Wijzende vingers naar mij. 'Haha, je bent erin getrapt'. En vrolijk lachend rennen ze terug de straat op. Wat een bak!

Terug aan mijn keukentafel denk ik aan de heerlijke kringgesprekken die ik met kinderen had als leerkracht in de onderbouw. Die humor, waar ik niet veel van begreep. Zo flauw. Maar zo'n heerlijk aanstekelijk plezier! Moppen die ieder jaar opnieuw weer terugkwamen, alsof ze bij het curriculum hoorden. Die van 'Neeeee Jantje, alles wat op de grond ligt is vies!' of die andere waar een meneer dringend moet plassen in een vliegtuig. Het raampje klapt dicht, zijn piemel valt naar beneden in de augurkenpot van een frietkraam. Wat smaakt die augurk zout!! Hahahaha…

'Merk je dat jij de enige bent die nu om jouw grapjes lacht?', hoor ik van lieve gezinsgenoten als ik het weer eens uitschater van m'n eigen grappigheid.  'Ja', proest ik dan uit, met tranen in mijn ogen en krampen in mijn buik.
Waarschijnlijk heb ik het nooit écht gedurfd, aanbellen bij de buurvrouw met hele flauwe grapjes. Of een goeie mop vertellen in de kring op school. Trouwens: Wij hadden geen kringgesprekken op school én we hadden nauwelijks buren daar waar wij woonden. 
Maar lachen om je eigen grappen? Tjonge, wat is dat toch heerlijk! 😊😊😊

vrijdag 27 april 2018

Samen(?)werken is soms best een kunst


Ooit mocht ik met een groep pabo-studenten deelnemen aan een workshop verzorgd door een mens met ADHD. Hij startte met een mooie werkvorm. Iedereen in de ruimte kreeg een kaartje met een opdracht. Bij een seintje van hem moest je je opdracht gaan uitvoeren. Ik moest de stoelen in de ruimte opstapelen. Bij het startsein gebeurde wat vreemds, iedere keer als ik een stoel stapelde, pakte een ander hem eraf. Iedereen deed wat anders, totale chaos was het effect.  Er werd getrokken aan stoelen, gelachen, geïrriteerd gereageerd. En mensen keken elkaar vol verbazing aan. Toen we de opdrachten gingen vergelijken, bleek dat de een de stoelen in een kring moest plaatsen. De ander in rijtjes, ik dus stapelen. En zo nog meer. Hij gebruikte de metafoor als start van zijn boeiende betoog hoe het is om ADHD te hebben en hoe leerkrachten hiermee om zouden kunnen gaan. Een fijne sessie!

Onlangs was ik in een organisatie die werkt met kinderen. En daar bekroop me ditzelfde gevoel. Iedereen was heel druk bezig zijn opdracht zo goed mogelijk te realiseren. Maar de doelstellingen leken niet afgestemd. Met de beste bedoelingen van de wereld werkten mensen elkaar tegen, omdat ze gefocust waren op hun eigen opdracht. Divisies en afdelingen met eigen deadlines, eigen doelstellingen. Samen werkzaam in diezelfde ruimte, de ruimte van de kinderen, de ruimte van de medewerkers.
Gelukkig werd er niet aan kinderen getrokken (wel aan de medewerkers!), maar er werd ook niet gelachen. Er werd vooral geïrriteerd gereageerd. En niet gepraat of écht geluisterd. De woordenwisseling was gericht op de eigen opdracht.

Wat is het toch jammer dat ik vergeten ben wat het advies van de man met ADHD was… Of was het zo simpel als je realiseren waar je mee bezig bent en samen de dialoog aan gaan. Stilstaan bij de ander. En dan afspreken wat je samen wilt, rijtjes, stapelen of een kring.
Maar vooral je even realiseren waarom je samen in die ruimte bent én dat je een keuze hebt. In gesprek gaan, samenwerken of gewoon lekker naar buiten lopen. Of rustig op een stoeltje gaan zitten en de boel met een glimlach bekijken. Heerlijk, het zootje wat we samen kunnen creëren, gewoon omdat je de opdracht van de man met ADHD heel serieus hebt genomen 😉.

Wilma

zaterdag 21 april 2018

Niet 'ranken' maar denken!


"Oké, jongens, tips en tops",  riep een pabo-student vanuit de zaal toen ik mijn verhaal beëindigde. Een lachsalvo was het gevolg. In een instant-moment drong opnieuw tot me door hoeveel we dit doen. Op de basisschool, op de pabo. Tips en tops. En we noemen het feedback geven.

Het maakt je wellicht een aandachtige consument. Maar dat is niet waar ik mee wil werken, aandachtige consumenten. Ik wil werken met studenten. Ik wil weten wat je raakt, wat je denkt. Waar je het mee eens bent of waar je niks van snapt. Waar het schuurt met wat je meemaakt. Wat je ziet en ontdekt over kinderen.

Jaren terug kwamen mijn kinderen al terug van de basisschool met blaadjes van klasgenoten, opmerkingen over hun performance tijdens de spreekbeurt. Ook weer tips en tops.
Wat leren we onze kinderen? Helpt dit bij een betere performance, gaat het over de performance? Is dat waar je meer skills of zelfvertrouwen van krijgt? Of brengt het meer om inhoudelijk te sparren over het onderwerp van de spreekbeurt. Niet 'Wie heeft er nog vragen?' maar 'Wat wist je nog niet, wat heeft je geraakt?' of 'Herken je het?' en 'Wie wil er nog meer weten?'

'Geen tips en tops, maar wat heeft je geraakt?' wilde ik weten. Wat volgde waren een paar mooie gesprekken. Vooral na het plenaire deel. Verhalen die mij weer raakten. Over de spagaat waar mensen in werken. Over vanuit een visie willen werken in je stageklas, maar geremd worden door een mentor die hele andere ideeën heeft over onderwijs. En niet weten hoe je daar mee om mag en kunt gaan. Over ineens het inzicht hebben dat je al jarenlang aan het vast zwemmen bent in een fuik, dat je je nu ineens realiseert hoe benauwd je je daarin voelt.

Mijn verhalen worden er beter van. Omdat ik me realiseer waar ik op tenen sta en waar ik te kort door de bocht ga. Hoeveel nuances onderwijs en opvoeding kent. En voor mij wordt verhalen vertellen en verhalen delen betekenisvoller. Omdat we samen iets aanraken. Iets waar we trots op zijn, iets waar we onzeker van worden, iets waarvan we soms flink in de war raken, iets waar we energie van krijgen.
Vanuit daar kunnen we met elkaar op zoek naar je eigen verantwoordelijkheid, je eigen mogelijkheden en kansen, en ontdekken waar je stappen kunt en wilt zetten.

Niet ranken, maar denken. Geen consument maar een student. Ons leven lang van en met elkaar leren. Zoiets…


Wilma

dinsdag 17 april 2018

Kiezen voor geluk



Hij was begin zestig. Stond al jaren voor de klas en beleefde er steeds minder plezier aan. Veel was veranderd, het harnas schurkte en schuurde. Zijn schoolbestuur had te maken met krimp en dus moesten er steeds meer mensen uit. Jonge mensen. Ook het team veranderde. Vanwege baanbehoud kregen collega's de keuze om in de vervangerspool te gaan. Voor niemand echt een aantrekkelijk perspectief. Voor hem wel. Hij sprak er veel over met zijn vrouw. Zal ik het doen? Ik moet nog flink wat jaren, ik wil weer gelukkig voor de klas staan.

Twee jaar verder. Hij is vaste invalkracht geworden voor zijn schoolbestuur. Soms staat hij ergens een paar dagen, soms slechts een dag. Nooit meer dan drie weken. Hij gaat weer fluitend naar zijn werk. Heeft geen moeite met niet weten waar je morgen staat. Iedere dag ontmoet hij een nieuwe groep kinderen. Hij heeft een nieuwe routine gevonden om samen met de kinderen uit te vinden hoe de dag eruit zou kunnen zien. Omdat lang niet overal helder is wat de bedoeling is.
Ik sprak zijn vrouw. Zij had haar man weer terug. Een man die houdt van kinderen, die houdt van zijn vak en met een rugzak vol oplossingen iedere dag met plezier gaat werken.

Zij was iets jonger. Ergens in de veertig. Werkte al heel lang in de kinderopvang. Maar had steeds vaker het gevoel dat ze niet goed bezig was. Altijd druk. Geen tijd om met kinderen te spelen, te genieten. Er kwam een reorganisatie. Ze moest eruit en ging hele andere dingen doen, gewoonweg omdat er geen werk voor haar was in haar branche. Of niets wat haar echt aansprak. Maar het bleef kriebelen. Het werken met jonge kinderen. Die voorschoolse periode van nul tot vier jaar. Ze keek naar haar huis. Plek genoeg. Een kleine verbouwing. Sinds een paar jaar heeft ze een gastouderbureau. Maximaal vier kinderen. Meer wil ze niet. Ik doe weer waar ik blij van word, vertelt ze me. De zon schijnt, we gaan naar buiten, naar het park. Ik zou meer kunnen verdienen, maar ik weet dat ik met vier kinderen écht kan genieten en doen wat ik belangrijk vind. Dus het blijft bij vier. Ik ben iedere dag blij dat ik deze keuze heb gemaakt.


zaterdag 3 maart 2018

Het lukt me niet te spelen


 Aanschuiven bij een college over spel en spelwerelden blijkt een onverwacht cadeautje. De docent vertelt een boeiend verhaal, geïllustreerd met inspirerende filmbeelden. Ze onderbouwt haar verhaal met theorie. Kaasje naar mijn hand, zo'n middag. Alle ingrediënten voor mijn zone van naaste ontwikkeling zijn aanwezig.
Ze let op de tijd, ik bespeur een klein beetje haast in haar verhaal. 'We gaan zo beginnen aan het deel waar jullie allemaal voor gekomen zijn', zegt ze. Ik had al zo'n donkerbruin vermoeden. De ruimte om ons heen staat vol met kratten vol speelgoed. We mogen zelf gaan spelen. De opdracht is helder. Eén van ons wordt kind, eentje spelbegeleider, eentje observator.
Ongemakkelijk kijk ik rond en bedenk escape-mogelijkheden: Kan ik nu naar het toilet en daar een poosje vertoeven? Kan ik andere college-volgers hun gang laten gaan en vooral als observator erbij gaan zitten. Dat is mijn fijnste rol, observator.

In haar eerdere betoog sprak de docent ook van 'niet-spelwerelden' en redenen waarom kinderen zich niet aan spel konden overgeven of niet spontaan mee konden doen.  Ik blokkeer. Bedenk dat er misschien ook wel iets met mij aan de hand is, waardoor ik niet mee kan doen. Mijn hersenen maken vreemde gedachtensprongetjes. Ik vind het tot nu toe een heerlijk college en een hele fijne docent, ik wil ook haar les niet verzieken door niet mee te doen.

Oef, ze heeft me gezien. 'Wat is er Wilma, waarom ga je niet spelen?' Na een kort gesprekje, dringt ze aan om toch de ervaring van het verplaatsen in een kind op te doen en me over te geven aan het spel. En dus zit ik even later bij een curverbak met drie collega's. Een beetje benepen vraag ik of ik mag beginnen als observator.

Ik heb al veel mogen trainen en veel trainingen bij mogen wonen. Ik heb vreemde mensen mogen knuffelen (Ieks!), met directieleden ballonnen omhoog mogen houden (JAAAA, goedzo!!! Ga door!!!), en een bolletje wol over mogen gooien waarbij ik iets verbindends of aardigs zei over ons groepsproces. En ben bang dat ook ik mensen goedbedoeld in werkvormen heb gestuurd, waar zij zich wellicht net zo ongelukkig bij voelden.

Tijdens de nabespreking valt mijn kwartje. Ik speel graag en veel. Met de volwassenen om me heen, met kinderen. Met dikke pret en vol overgave. Ik wil me heel graag inleven in kinderen, ook dat. Maar de opdracht om als een kind van een bepaalde leeftijd te spelen lukt me niet. Dus roer ik maar wat door de bak en ga materialen eruit halen en ordenen. Blokjes bij blokjes, poppetjes bij poppetjes. Is dat een spelfase? Welnee, dat is mijn sociaal wenselijkheid om toch mee te doen en binnen mijn comfortzone te blijven. Over de blokjes heen, spreek ik met mijn collega's over de inhoud van het boeiende college.

Misschien was de waardevolste les van vandaag dat mijn visie op spel opnieuw bekrachtigd is.  


Spelen gaat gepaard met plezier en betrokkenheid. Spelen gebeurt vrijwillig: Het om niet-verplichtende bezigheden, de speler kiest deze zelf. De speler neemt in belangrijke mate zelf het initiatief om te gaan spelen en dat te blijven doen zolang het boeit of zolang hij daarvoor de kans krijgt. Spel dient geen extern doel, de speler is gericht op het proces van het spelen.


 Dank je wel, collega's, voor de meer dan boeiende studiemiddag!!
© Wilma van Esch

woensdag 21 februari 2018

Ik vind lezen STOM!

Madelief is zes en zit in groep 3. Het leven is een feest. Ze houdt van buiten spelen, dansen, zich mooi maken. Maar ook van uren met de poppen spelen en van lekker lang bladeren in boeken. En ze houdt van tekenen en knutselen. O, en van koekjes bakken en kleien.
School was de afgelopen jaren ook erg fijn, maar er beginnen kleine haarscheurtjes in dat fijne te ontstaan. Het is maandagmiddag.  Gewoon een maandagmiddag na school. Madelief stampt driftig door de huiskamer. Ze is net thuis, tot spel komen lukt niet. 'Ik vind lezen STOM!', roept ze naar haar moeder in de keuken. Moeder kijkt verbaasd om de hoek: 'Lezen stom? Jij houdt altijd zoveel van boekjes lezen!'

Met een vuurrood hoofd en tranen in haar ogen schreeuwt Madelief haar verhaal eruit. Over hoe ze allemaal in hetzelfde boekje moeten lezen, hardop. En dat ze dan om beurten wat moeten voorlezen. Dat ze geen fouten wil maken, maar dat juist wel gaat doen. En dat ze niet goed is in lezen. Niet zo goed als andere kinderen. Dat ze rijtjes lezen met de stopwatch met de juf helemaal vervelend vindt. Want ze kan niet genoeg woordjes lezen in de tijd die ze krijgt… Ze moet veel oefenen met tempo-lezen, maar ze wil helemaal niet lezen. 'Ik vind lezen STOM!'

Moeder slikt. Ze denkt aan de heerlijke uren met Madelief met boekjes op de bank, aan het samen struinen door de bibliotheek, het grappige fantaseren tijdens het voorlezen 's avonds in bed. Haar dochter is dol op boeken, kan tijd vergetend door boeken bladeren. Ze voelt tegelijkertijd irritatie opkomen richting school en hun aanpak: Hoezo hardop om beurten lezen,  hoezo met een stopwatch tempo lezen? Waar zit het genieten van boeken, van verhalen, van verbeelden? Ze zucht terwijl ze met koffie en limonade richting de keukentafel loopt. Is dit groot worden? Is dit leren dat je niet overal goed in kunt zijn, maar dat dat 'helemaal niet erg' is? Is dit het begin van een hekel krijgen aan lezen?


Madeliefs boze bui lijkt over. Haar kleurpotloden krassen krachtig over het witte papier. Moeder neemt peinzend een slok van haar koffie. 
'Hier schat… je ranja'. 

Ik ben mama en dan ben jij mijn kind

'Wil je meedoen juf? Wij zijn mama en oma, maar we hebben nog geen kind. Wil jij kind zijn?' Ik leg mijn spullen weg en loop mee naar de huishoek. Ik wil best een keertje kind zijn.
Oma en moeder kleden zich om, ik sta een beetje te dralen in de huishoek en vraag aan 'mijn moeder': "Wat ik zal doen?" Ze draait zich om en kijkt me boos aan. 'Naar je kamer, in je bed', wijst ze met een priemende vinger. Ik schiet in de lach. 'En niet lachen, mama is heel boos op jou'. Snel kruip ik op het matrasje, in de foetushouding om mijn te lange benen niet al te veel over het matrasje heen te laten steken. Ik kijk vragend omhoog. Moeder staat naast me en kijkt me doordringend aan. 'Slapen kind', roept ze, 'ik wil niks meer van je horen!'. Ik houd me gedeisd. Moeder en oma gaan aan tafel zitten. Ze gaan thee drinken en koekjes eten. Graag wil ik meespelen, maar ik vrees dat dit mijn rol is, stilletjes in bed. En dat blijkt ook zo te zijn. Moeder en oma beleven allerhande avonturen, keutelen samen door het huis. En als ik durf op te staan hoor ik alleen een dreigend "Uh!" en wijst een vinger me terug naar het matrasje.

Als de school uit is, loop ik mee naar buiten. 'Mijn moeder' huppelt naar het muurtje, waar haar moeder en oma staan. Die staan daar iedere dag. Oma woont bij moeder en 'mijn moeder' in huis.

En ik vraag me toch even af…

maandag 19 februari 2018

Lust jij een auto?

Met een stralende lach kijkt hij ons aan. Graaiend in de legobak. 'Hier!' Mijn oudcollega Edwin  krijgt een treinkarretje in zijn handen gedrukt. Opnieuw rommelt het jongetje in de bak. 'Lust jij ook een auto?', vraagt hij mij. Ja, graag! Ik krijg een kinderwagen in mijn handen gedrukt. En een stukje treinrail. En een blokje met ogen erop. 'Lust jij een paard?' vraagt hij aan Edwin. En hop, daar komt een koe tevoorschijn. Edwin zegt lachend 'Hee, maar dit is toch geen paard? Dit is een … heel zacht maakt hij een loeiend geluidje'. Lachend loeit de jongen mee. 'Moeoeoeoe, een koe!'.

Ik ben te gast op de Emiliusschool. Omdat mijn oudcollega Edwin hier adjunctdirecteur is geworden, en vooral omdat ik benieuwd ben naar deze school. Even mogen we meekijken in een groep. Op dat moment zijn er vier kinderen en drie volwassen. En wij natuurlijk. Een vijfde kind komt binnen. Met een kar vol serviesgoed en een begeleidster. 'Zo, wij hebben afgewassen', roepen de twee vrolijk.


Op deze school zitten kinderen van 4 tot 20 jaar, kinderen met (ernstige) meervoudige beperkingen. We wandelen door groepslokalen, verzorgingsruimtes, gymzalen, sensomotorische ruimtes, een zwembad, werkplekken voor collega's en een prachtige buitenomgeving.
We ontmoeten, groeten, en Edwin vertelt honderduit. Bijna iedere ruimte, ieder kind, ieder materiaal heeft een verhaal.


'Eén van de belangrijkste dingen die we kinderen willen bijbrengen, is kunnen kiezen', vertelt Edwin. Voor kinderen met een laag niveau is dat zo ongelooflijk moeilijk. Maar bij in het kiezen komen autonomie, relatie en competentie samen. Mogen kiezen, wat je lekker vindt, of je wilt zitten of liggen, apparaten aan of uit wilt zetten, links of rechtsaf gaan. Mogen kiezen is een vorm van autonomie, van zelfbeschikking.

Bij het zwembad zitten vrijwilligers te lunchen, zij helpen kinderen met aan- en uitkleden. In de sensomotorische ruimte liggen twee kleine kinderen op een gekleurde lichtbak, terwijl een medewerker zachtjes een transparante doek met kraaltjes over hen heen trekt. Iets verderop een medewerker die een kind verschillende geuren laat ruiken. Ik zie twee grote jongens, de een op een driewieler, de ander in een rolstoel, die vrolijk kratten van de ene plek naar de andere brengen. Een medewerker duwt de schommel van een meisje in de gang. Ik ervaar rust, aandacht, vrolijkheid.

Edwin en ik hebben samen gewerkt op een pabo, daar kennen we elkaar van.
Wij hebben meegebouwd aan partnerschappen Opleiden in School en weten dus hoe het doorgaans werkt met pabo's en opleidingsscholen. Zo'n SO school als deze valt daar gewoon buiten. Past niet in de leerlijn en het curriculum, past niet als stageplek. Terwijl hier zo ontzettend veel te leren en ontdekken valt over onderwijs. Op gebied van aandacht, afstemming, aanbod, interventies, interacties, sfeer en creativiteit. Er lopen geen pabostudenten stage op deze prachtschool. Wat een gemis!
Voor studenten, die veel kunnen ontdekken over hoe deze doelgroep leert en ontwikkelt, maar ook over hun eigen ontwikkeling. Maar ook een gemis voor het speciaal onderwijs, in al haar verschijningsvormen, waar sommige studenten nooit zullen gaan kijken of gaan ontdekken of het bij hen past...

Nieuwsgierig? 

Dank je wel Edwin, kinderen, collega's, vrijwilligers voor deze mooie dag vol indrukken! Wat een fijne plek, jullie school!

Wilma


Vroeger zou een school als deze een Tyltyl school hebben geheten. Ken je het verhaal van Mytyl en Tyltyl? Het zijn de jongen en het meisje uit het sprookje L'oiseau blue van de Waalse schrijver Maeterlinck. In dit sprookje krijgen Mytyl en Tyltyl van een fee de opdracht om de blauwe vogel van geluk te gaan zoeken. Hoe ze hun best ook doen en waar ze ook zoeken, ze vinden de vogel nergens. Als ze weer thuisgekomen zijn, besluiten de kinderen om hun witte tortelduifje aan een ziek buurmeisje te geven. Op dat moment verandert het duifje in een prachtige blauwe vogel. De vogel kiest onmiddellijk de vrijheid en blijft, evenals het geluk, ongrijpbaar. Het zieke buurmeisje geneest spontaan.

De namen Mytyl en Tyltyl zijn soortnamen geworden voor leerlingen met lichamelijke en meervoudige beperkingen. Net als in het sprookje is het de ambitie van de medewerkers en alle betrokkenen van de Mytyl en Tyltyl scholen om de leerlingen te ondersteunen in het vinden van 'geluk'. De blauwe vogel in het logo van de Emiliusschool staat daarvoor symbool' (bron foto en tekst: Schoolgids/website Emiliusschool). 

zaterdag 17 februari 2018

Ik zie, ik zie... Een foto van een museum en een spervuur van vragen.



Zomaar een foto op internet, ik heb geen idee van wie, door wie gemaakt en wat de context is.
Wat zie je hier? Is hier sprake van opvoeding? Van onderwijs? Kunsteducatie wellicht?
Kun je in de huid van deze kinderen kruipen en denken, voelen, ervaren wat zij mogelijk denken, voelen, ervaren? Welke vragen ze mogelijk hebben?

Lukt het je vanuit zoveel mogelijk perspectieven kijken?
Hoe is het wanneer je door de bril van grootouders kijkt, die op een onverwachte studiedag van school inspringen als oppas voor de kleinkinderen en hen meenemen naar een museum waar zij graag en vaak komen?

Stel dat het een chique vernissage is, waar ook wat kinderen mee zijn gekomen, maar de wijn en wijze praat vinden vooral plaats in een andere zaal, bij de catering? Kijk je dan anders naar de foto?

Stel je bent leerkracht of hulpouder en je loopt met een kijkwijzer met gerichte vragen per schilderij door dit museum, wat dan? Heb je de neiging om in te grijpen, mee te kijken? Te luisteren? Vragen te stellen? Of wil je hier juist van afblijven? Moet je hier iets?

Wat zouden bedoelingen kunnen zijn geweest van de mensen die de kinderen meenamen naar dit museum?
Kun je zoveel mogelijk redenen verzinnen om met kinderen in een museum te zijn? En te bedenken wat het lange en korte termijn effect is van dit museumbezoek?

En als je kijkt door de bril van de kerndoelen? Competentieontwikkeling? Basisbehoeften? Kun je dat effect voeden? Wil je dat effect voeden?

Kun je verzinnen hoeveel interacties en interventies er mogelijk zijn? Welke scenario's zie je?
Maakt het voor jou uit of kinderen 4, 8, 10 of 15 zijn in deze situatie? 

Hoe zit het met jouw eigen biografie? Kom je graag in musea? Welke ervaringen heb je als kind met museumbezoek? Schilder je zelf graag? Ga je vaker naar tentoonstellingen? Wat wil je met kinderen en musea? En hoeveel zegt jouw biografie van alle dingen die je hierboven bedacht?

Maakt het voor pabo-studenten uit als een gesprek over een foto als deze gebeurt in het bijzijn van een docent Beeldend? Of een docent Onderwijskunde? Pedagogiek? Taal? Wiskunde? Biologie? Geschiedenis? Of deze verkenning spontaan ontstaat of dat deze foto ieder jaar opnieuw startpunt is van een nieuw leerarrangement, maakt dat uit?


En hoe ervaar je dit spervuur van vragen? Doet het afbreuk aan de foto, of zet het je aan het denken? 

maandag 29 januari 2018

Ik gun je veilig

Hoe oud zal hij zijn? Een jaar of vijf? Zijn mountainbikeje ligt op het gras naast het wandelpad. Enthousiast stapt hij op ons af. Oorbelletje in zijn linkeroor, stoer jackje, groene knieën op zijn broek, zwarte handen. 'Ik heb een nestje gevonden!' Terwijl wij kijken, praat hij door. Hij wil het aan zijn vader laten zien, maar kan het niet meenemen op zijn fiets. Nee, dat kan niet tegelijk. Zou het van een vogel of een eend zijn? Hoe zie je dat eigenlijk, of het van een vogel of een eend is? Zou hij het nu misschien beter kunnen verstoppen en dan zijn vader gaan halen? Hij praat met ons, maar toch ook niet. Hij beredeneert, bedenkt en loopt dan naar een goede verstopplek. Vlakbij het water, onder de brug. Ineens lijkt hij nog maar heel klein, lijkt het best gevaarlijk. Dit park, dit water, die glibberige kant bij de brug.

We twijfelen. Doorlopen? Blijven staan? Waarschuwen?

Hij maakt zich niet druk om ons. Voorzichtig legt hij het nestje onder de brug. Wij zijn allang weer verder gewandeld. Ik krijg een throwback naar vroeger, naar ons huis tussen de koren- en maisvelden. Naar onze kersenboomgaard. Uren kon ik rondsjouwen, net als deze kleine man. En me verwonderen. Vieze knieën, zwarte handen.

Er is ontegenzeggelijk iets veranderd. Spannend dat hij daar in zijn eentje rondstruint, in dat park van ons. Zijn wij verantwoordelijk, als we straks lezen of horen dat er een klein manneke te water is geraakt? Dat zijn fiets gejat is? Dat iemand hem kwaad heeft gedaan?

Ik fantaseer ter geruststelling dat hij terug naar huis is gefietst. Dat zijn vader zijn snottebel weggepoetst heeft, naar hem roept: Jas aan de kapstok, handen wassen, we gaan eten. Of dat hij nu lekker in een warme keuken geniet van een beker chocomel. Zoiets… Omdat het toch wel heel fijn is, struinende jongetjes, buiten, zich vermakend, verwonderend. Heel fijn.


©Wilma van Esch

maandag 8 januari 2018

Mopperkonten

Ik schrik wakker, de vuilniswagen rijdt door onze buurt. We hebben nieuwe containers en een nieuwe ophaalplanning. Het zit nog niet in mijn systeem. Ik trek m'n ochtendjas en badslippers aan en spurt naar buiten. Mooi, net op tijd.

Buiten is het druk, er zijn meerdere mensen op straat. Het gemopper is niet van de lucht. Het gaat over containers, over hoe en waar ze moeten staan. Over dat er vorige week een container is blijven staan. Dat het eigenlijk niet kan zo. Er is géén plek voor containers én auto's. En daaaaaar zou de gemeente toch ook allang actie op hebben moeten zetten. Maar niks hoor. Ho maar. Nergens kun je je auto fatsoenlijk kwijt. En waar láát je ze, die veelkleurige kliko's. Mopper de mopper de mopper.

Ik verontschuldig me, voor mijn ochtendjas en m'n ontplofte haar. Ik groet de mopperaars met een lieflijke glimlach en trek mijn direct geleegde container weer mee. Mooi, dit nieuwe systeem. Heb ik dat ook weer eens van dichtbij gezien.

Mopperkonten die je verongelijkt meetrekken in hun ongenoegen, pfff… Ik heb nog steeds de indruk dat wij in een fantastisch land wonen. De gemeente zet een nieuw afvalscheidingsbeleid in. Kondigt de kliko-wissel aan, heeft een hulpnummer voor mensen die het niet snappen, komt keurig je kliko's brengen en de oude ophalen. Heeft een kalender online staan, die je hoepsefloeps in je outlookagenda kunt ploppen. Op feestdagen is er een ander ophaalmoment, gewoon omdat er écht nagedacht is over je afval. Jouw afval, ons afval! En toch, we mopperen, we klagen. Steen en been. En zadelen uitvoerders op met verwijten, waar zij op dat moment ook niks mee kunnen.

Terwijl ik dit stukje schrijf, realiseer ik me dat ik geen spat beter ben. Lekker om effe te mopperen op de mopperaars en je te betrekken bij mijn ongenoegen. Toen ik de kliko mee naar binnen trok riep ik nog even richting straat "Als jullie het niet erg vinden doe ik effe niet mee met je gemopper!" Haha, stoer hoor, anti-mopperheld op badslippers…Heeft iemand het gehoord? Ach. Tijd voor koffie en krantje. Goeiemorgen!


©Wilma van Esch

Foto: Ophalen oude kliko's in december 

vrijdag 22 december 2017

Heb je ook een hoopvol perspectief te bieden?


"Dank je wel voor alle inzichten, we denken écht na over wat je zegt. Maar heb je ook een hoopvol perspectief te bieden?" Ik schrik een beetje van deze reactie op mijn verhalen.  Tjonge, is dat wat ik doe? Wakker schudden, vragen stellen en mensen perspectiefloos achterlaten. Nee toch?

Of ik hoopvolle perspectieven zie? Ja, iedere dag brengt nieuwe perspectieven. In kleine ontmoetingen, voorbeelden en verhalen worden ze telkens weer zichtbaar. Als je ze wilt zien. Ik neem je mee naar gisteren, zomaar een dag. Dit keer niet in de praktijk van onderwijs en opvoeding, maar wandelend op internet.

Allereerst zag ik de documentaire 'The Altruism Revolution' (1). Daar zitten pareltjes van wijsheid in. Geen idee of de onderzoeken wetenschappelijk gezien kloppen, maar de beelden waarin hele jonge kinderen het onderscheid weten te maken tussen goed en kwaad en spontaan behulpzaam zijn, zelfs al zijn ze in eigen spel bezig, dat is prachtig. Ook ons empathisch vermogen wordt onderzocht. Het kunnen invoelen van de pijn van de ander. Het verschil tussen dat inlevingsvermogen wanneer je je wél of niet verbonden voelt met die persoon.  Heel boeiend! Eén van de suggesties uit deze documentaire is de keuze voor meditatie met kinderen.  Zo rust en tijd nemen heeft effect op het onderwijs, volgens de geïnterviewde leerkrachten. Maar ik zie meer in deze documentaire: Ik zie ook het luisteren naar elkaar, echte aandacht geven. Kinderen die met een zwaar of boos gemoed op school komen worden ontvangen. Ze worden niet veroordeeld op hun uitingen, maar ik zie docenten die contact willen maken, aanvaarden, begrijpen en relativeren.

Via youtube kwam dit filmpje voorbij 'Be mister Jensen, see the good' (2) over een knulletje wat niet stil kon zitten en voortdurend aan het tappen en tikken was. Van een leerkracht kreeg hij zijn eerste drumstokjes, nu is hij een befaamd drummer. See the good. Kijk over je irritatie heen naar de behoeften en de talenten van de ander. Prachtig!

Op Linkedin las ik een artikel over een dementerende mevrouw Pekaar en meneer Tip (3). Twee mensen die in alle verwarring van hun dementerende staat hun seksuele gevoelens en mogelijkheden herontdekken. En personeel en familie die geconfronteerd worden met uitingen en gedrag waar ze geen raad mee weten. Liever zien ze meneer en mevrouw achter de bingo kaarten of dromerig met een bakkie koffie naar buiten kijkend. Ik zie een zeer hoopvol perspectief van een team wat zich probeert te verplaatsen in de behoeften van meneer en mevrouw en samen met familie interventies in zet die de liefde mogelijk te maken en het leven van meneer en mevrouw te respecteren.

Bovengenoemde voorbeelden zijn ontstaan op kansrijke momenten, waarbij we de keuze hebben. Waarbij we na kunnen denken over wat gebeurt hier nou eigenlijk? Als we ons echt verplaatsen in de ander, wat zegt die ander dan, wat heeft die ander nodig? En wat heb ik nodig, wat zijn mijn keuzemogelijkheden? Kan ik over mezelf heen stappen en verder kijken? Durf ik het aan te gaan?

Graag volg ik de oude Grieken in hun zoektocht naar het juiste midden. Het begint met durven onderzoeken van wat je ziet en ervaart. Met goed kijken en luisteren naar elkaar én naar jezelf. In de context waar je werkt en leeft. Met een flinke portie relativeringsvermogen, humor en empathie. Misschien zit het hoopvolle perspectief erin dat je altijd een keuze hebt. En dat je het niet alleen hoeft te doen, al voelt het soms wel zo. En dat je als je wilt iedere dag geïnspireerd kunt worden door mooie verhalen en ervaringen van anderen. Zodat jouw inzichten zich vergroten. Zoiets...

©Wilma van Esch

1.        The Altruism Revolution http://www.uitzendinggemist.net/aflevering/382795/Bodhitv.html
2.       Be mister Jensen, see the good. https://www.youtube.com/watch?v=4p5286T_kn0

3.       De veelbesproken seks van Mw Pekaar en Mr Tip https://www.linkedin.com/pulse/de-veelbesproken-seks-van-mw-pekaar-en-mr-tip-op-dr-david-blom-2/?trackingId=qvjUxbDfCByQ61PxpakD8g%3D%3D